Ik boek een trip met een snelle boot die me in een half uurtje naar het eiland Nusa Lembongan zou moeten brengen. Het is bewolkt maar daar ben ik absoluut niet rouwig om. Als ik mag kiezen tussen een verschroeiende, tropische 35° of bewolkt en 25°, geef mij dan maar het laatste. Het weer is ongeveer een half uur nadat ik mij een fles zonnecrème aangeschaft had, omgeslagen. Een tube Nivea factor 20, anyone?
Het is de bedoeling dat ik drie nachten op het eiland blijf en op zondagavond terugkeer. Als ik het ticket koop, laat ik weten dat ik op zondag terug wil. ‘No worries, het is een open ticket. Je kan om op het eeeveeeen welke dag terug.’ krijg ik te horen.
‘En waar moet ik precies zijn voor het vertrek?’ Op dezelfde plek als waar ik het ticket gekocht hebt, zo blijkt. Een uur voor de afvaart ben ik op de plaats van afspraak. Ik vraag of het ok is dat ik daar ga zitten wachten. Geen probleem, of wacht even, beter even verderop. Ok, ik loop een stuk terug, mijn trolley heeft wieltjes, dus mij hoor je niet klagen. Ik haal m’n boek boven en nog voor ik 1 pagina gelezen heb, komt iemand van de firma Scoot, niet die van ‘Wie Scoot die vindt’ maar van de bootservice met als slogan ‘The way life should be’ naar me toe gelopen.
‘Moet jij naar Nusa Lembongan?’
‘Ja.’
‘Dan moet je daar wachten.’ De man wijst naar iets wat op de volledige kustlijn kan slaan.
‘Waar is dat? 10m verder? 20m? 100m?’
Hij denkt even na, heeft duidelijk nog minder verstand van afstanden dan ik en besluit dat de middelste optie wellicht altijd de beste keuze is.
Ik loop 20m verder en sta voor een restaurant, nog 20m verder zie ik nog steeds niemand met een Scoot-polo. Ik sta bijna terug aan m’n hotel dat ik net uitgekozen had omdat het zich volgens de Rough Guide dicht bij de vertrekplaats van de bootdienst bevond. In de verte zie ik twee meisjes met Scoot-polo, ik stap op hen af en toon m’n ticket. Degene die het aanneemt, zegt ‘Solly Miss, no boat leave on Sunday because of ceremony.’
Ik leg uit dat de man bij wie ik het ticket gekocht heb niets over een ceremony gezegd heeft en dat dat me eigenlijk wel logisch lijkt aangezien er op Bali elke dag een of andere ceremony plaatsvindt en dat ze hun bedrijf wel konden sluiten als ze daarom hun boten in de haven zouden laten staan.
‘Solly Miss.’
‘Ik heb al kamers geboekt, zowel op het eiland als voor de nacht nadien, dit komt mij niet zo goed uit.’
‘Solly Miss’.
Ik doe alsof ik bel en zeg dat Vishnu, Shiva en de hele reutemeteut me persoonlijk hebben laten weten dat de Scootboten met hun zegen op zondag mogen vertrekken.
Ze geeft geen krimp. Ik ook niet maar dat levert helaas niets op. De boot zal met enige vertraging vertrekken (ceremony? wie zal het zeggen?), ondertussen kan ik even gaan nadenken of dit wel The Way is Life Should Be.
Na een tijdje worden we verzocht in te stappen. Het is eb en de boot ligt ergens in de verte, ik hef m’n trolley op en stap door het mulle zand waar m’n voeten diep in wegzakken. Ik moet denken aan de parabel waarbij iemand tegen god klaagt dat zijn goddelijke voetafdrukken niet meer naast de zijne te zien waren toen de kerel in kwestie het zwaar te verduren kreeg waarop god antwoordde dat er inderdaad maar één stel voetsporen meer te zien was maar dat het wel heel diepe waren en dat dat was omdat god de jammeraar droeg.
Mijn voetafdrukken zijn ook diep maar ik voel mijn koffer wegen dus het is niet zo dat god zowel mij als die dekselse trolley aan het opheffen is. Misschien had ik niet zo luid ‘godverdegodver’ moeten roepen toen ik te horen kreeg dat ik op zondag niet terug kon. Vlak voor ik aan de vloedlijn kom, neemt een drager m’n tas van me over om 10m verder te zeggen dat hij een fooi wil en ook hoeveel. Omgerekend naar Belgische normen zou dat ongeveer 10 euro moeten zijn. Ik maak een mental note dat ik mijn freelance tarieven dringend moet aanpassen naar Balinese normen.
Ik ga ergens in het midden van de motorboot zitten, niet zover van de plaats van de kapitein, aan een raam (eigenlijk een zeildoek dat wat open staat) en kijk recht voor me uit. Er is aanvoer van frisse lucht en ik heb zicht op waar we naartoe gaan. Op die manier zou ik niet zeeziek mogen worden. Dat heb ik ooit ergens gelezen of misschien wel zelf uitgevonden, ik weet het niet meer.
Ik besluit mijn theorie niet uit de doeken te doen tegen de Chinezen die op de bank zijn gaan zitten die dwars staat op de vaarrichting.
Even later start de motor en varen we langzaam weg van de kust. Hoe verder we varen, hoe sneller het gaat en hoe harder de boot neerkomt nadat hij even over een golf gezweefd heeft. De wind waait in m’n gezicht, de zee is woelig, de wolken zijn grijs en ik, ik geniet. Ik vind het heerlijk om op zee te vertoeven. Ik kijk om me heen en zie alleen maar verkrampte gezichten. Sommige handen nemen de hand vast van de partner waamee ze hun wittebroodsweken aan het doorbrengen zijn, andere graaien naar een plastic zak en houden die voor hun mond.
Ik probeer de grijns die om m’n lippen speelt te verbergen en zie hoe 2 Chinese vrouwen zo hard kotsen dat hun ingewanden lijken mee te komen. Of zouden het de ingewanden zijn van de kat/hond die ze bij de lunch verorberd hebben? Zo goed kijk ik nu ook weer niet in hun zakjes.
Een goed half uur later bereiken we de overkant. Ik moet de neiging onderdrukken om bij het uitstappen ‘Woehoew’ uit te schreeuwen, te springen en m’n voeten in een hoek van 30° tegen elkaar te slaan. Ok, ok, om dat laatste te doen moet ik niet zozeer de neiging onderdrukken, ik ben er gewoon niet fit genoeg voor.
Een kersvers, Australisch bruidje ziet wat bleekjes om haar neus, die had zich bij ‘huwelijksbootje’ wellicht een rustig, luxueus jacht voorgesteld ipv het gevaarte waar we net uit komen. Er staan een paar mensen op de kade. In de verste verte zijn geen taxi-chauffeurs te bekennen. Ik hoor enkel het ruisen van de zee. Hier zou het wel eens leuk kunnen worden. Ondertussen is het beginnen regenen. Ik zie tussen de paar mensen die ons staan op te wachten een Balinees met een bord waarop ‘Zabine’ staat en stap op hem af. Hij zal me naar m’n kamer brengen. Op een scooter, zo blijkt. Ik slik want ik had me voorgenomen me niet met een scooter of motor te verplaatsen. Ze stinken en maken veel te veel lawaai. Bovendien heb ik al de hele tijd visioenen dat als ik op een scooter of motor stap het niet lang zal duren eer de opperhuid van mijn armen en benen over het wegdek zal uitgesmeerd liggen met hier en daar een stuk tand tussen.
Er zit helaas niet veel anders op dan achterop te kruipen. De weg ziet er gevaarlijk glad uit, maar mijn chauffeur is voorzichtig, toch nadat ik een keer of 3 ‘WATCH OUT!’, ‘BE CAREFUL’ en ‘NOT TOO FAST’ in zijn oor gebruld heb. Even later zet hij me af aan ‘Linda Bungalows’, een hotel aan de kustlijn. Het terras kijkt uit op de zee waar Balinezen zeewier in hun bootjes aan het laden zijn. Ik neem m’n boek, ga tussen een handvol Australiërs zitten en zie hoe een grijze dame van vermoedelijk 65 in wetsuit en met surfplank onder de arm richting golven waadt. De rest van de middag lees ik verder in ‘Kafka op het strand’ en kijk nu en dan eens op naar de surfende oma.
0 Responses to “Eindelijk rust”
Leave a Reply